Het slachtofferschap van Donald Pols

Poster voor de Voëlvry tournee in Zuid-Afrika

Herinnering. Het is april 1993 en we lopen naar een van de uitgangen van het Orlando Stadion in Soweto. Ik zet mijn voet per ongeluk op de voet van een witte jongen die een vlag van de Zuid-Afrikaanse communistische partij meedraagt. Nadat ik me verontschuldig, stellen we ons aan elkaar voor. Hij en ik en een vrouw, zijn zuster. Onze hoofden roodverbrand door de hitte, urenlang hadden we geluisterd naar de toespraken tijdens de herdenking van Chris Hani, de ANC-leider die eerder die maand voor zijn huis in Johannesburg werd doodgeschoten. Drie mlungu’s, drie witte koppen, in een zee van zeker tachtigduizend Zwarte Zuid-Afrikanen.

Op weg naar de auto vertelt Tjaart, terwijl hij zijn vlag oprolt, dat hij nog niet zo lang terug doodsangsten zou hebben uitgestaan. “Wat ons allemaal niet is wijsgemaakt… Swart gevaar, Rooi gevaar, overal gevaar.” In de bus naar huis vertelt hij dat hij zich enkele jaren eerder had aangesloten bij de jongerenafdeling van de Afrikaner Weerstands Beweging (AWB) van Eugene Terre’Blanche. Dit brandy-coke commando, zoals de rechtsextremistische organisatie onder de meer verlichte Afrikaners werd genoemd, streed voor de instandhouding van apartheid. Mandela was de antichrist. Het was God’s opdracht aan het witte Boerenvolk om Zuid-Afrika te leiden. In veel plattelandsgemeenschappen oefende de AWB een ware terreur uit.

Tjaart’s twijfel aan de witte idealen van de organisatie begon toen hij ergens in de loop van de jaren tachtig een Voëlvrij festival bijwoonde. Op een terrein buiten Pretoria luisterden duizenden Afrikaner jongeren naar de muziek van Koos Kombuis, Bernoldus Niemand, Johannes Kerkorrel en zijn Gereformeerde Bluesband en anderen. Ze zongen teksten tegen de apartheid. Kombuis parafraseerde het volkslied:

Ons sal traangas

Ons sal Treurnicht

Ons vir jou Suid-Afrika.

Treurnicht was destijds de aanvoerder van de extreemrechtse Konservatiewe Party. Kerkorrel, op zijn beurt, betuigde in het meeslepende Hillbrow zijn liefde voor de multiculturele wijk van Johannesburg waar alle apartheidswetten bezweken onder de influx van zwarte Zuid-Afrikanen, sekswerkers en moffies, het Afrikaner equivalent van flikkers. Omvolking in actie! Voëlvrij concerten trekken in het hele land massaal bezoek. Het is een uitdrukking van rebellie, een jonge generatie witte Afrikaners wars van het racisme, de onderdrukking, de ‘grensoorlogen’ waar honderden van hun tijdgenoten worden opgeofferd aan de anti-Zwarte, anticommunistische jihad die door de machthebbers is afgeroepen. Een aantal uiteenlopende ontwikkelingen – binnenlands verzet, buitenlandse druk, internationale solidariteit, het uiteenvallen van de Sovjet-Unie – draagt bij aan de ondergang van apartheid. De woelingen binnen de Afrikaner gemeenschap, die tot uitdrukking komen in Voëlvrij, maar ook in het debat binnen witte geloofsgemeenschappen, horen eveneens in dit rijtje thuis.

Het festival opent Tjaart’s ogen. De Afrikaner cultuur die hij bij de AWB dacht te vinden, treft hij op dit festival. Opeens is daar poëzie, en treft hij er mensen die boeken lezen. De doffe klanken van Terre’Blanche’s oorlogsretoriek overgoten met brandycoke is er totaal afwezig.

Tjaart levert zijn khaki uniform en AWB badge in.

Ik moest aan Tjaart denken toen het nieuws van Donald Pols’ duistere verleden naar buiten kwam. Eerder was me de foto toegestuurd met de vraag of ik de Zwarte man die naast Nelson Mandela op het podium stond herkende. Geen idee toen van welk onderzoek deze vraag deel uitmaakte. Vorige week nog maakte ik met een vriendin grappen over witte Afrikaner mannen die zich plotseling druk maken over de natuur. “Ergens vertrouw ik dat niet”, zei ze. We lachten het weg. Er zijn al zoveel complottheorieën.

Maar dit is het nieuws. In de tijd dat Tjaart de AWB achter zich laat, voerde Donald Pols een rechts-extremistische groepering op de Universiteit van Pretoria aan. Hij verstoort bijeenkomsten en maakt Mandela het spreken onmogelijk, hij verbrandt een ANC vlag. Het acroniem van zijn clubje, het Afrikaner Studente Front (ASF), wordt vergezeld door Runetekens die ook door de nazi’s werden gebruikt. NRC schetst een beeld van het milieu waarin Pols opgroeit. “(…) in wat toendertijd de Transvaal werd genoemd, een politiek blanke staat, op een boerderij op het platteland van Zuid-Afrika met uitsluitend zwarte werknemers, in een aartsconservatief religieus milieu waarin popmuziek fout was en de televisie des duivels.” Pols voegt daar in het artikel aan toe dat ‘alles draaide om de kerk, het sociale weefsel van de samenleving.” In de Nederduits-Gereformeerde Kerk “ontstond het onderscheid van rassen en de staat en de politiek namen het daarna over. (…) Alles was geïnstitutionaliseerd. De zwarte mensen gingen zich gedragen naar het onderdrukkende systeem. Zij gedroegen zich vanuit zelfbehoud als horigen. Als kind zag ik voortdurend de gezagsverhouding tussen zwart en wit herhaald worden.” NRC voegt er nog aan toe: “In de dagelijkse omgang hoorde hij voortdurend dat zwarte mensen stonken.”

Pols’ verweer, zo gretig opgetekend door NRC, staat niet op zichzelf. Ik kan mij goed voorstellen hoe moeilijk het is om wat in jouw omgeving als vanzelfsprekend en normaal wordt gezien van je af te schudden. Hoezeer het gif van racisme en paternalisme in je kruipt. Maar Pols’ voorstelling van zaken negeert het verzet – de demonstraties, gewapende acties, de stakingen door mensen die zich niet als horigen gedroegen – waarvan moedige oppositiekranten in Zuid-Afrika melding maakten. Het negeert de opstandigheid tegen apartheid die zich ook op de campus van de Universiteit van Pretoria manifesteerde (de beelden die Pols ontmaskeren zijn ook hiervan een bewijs). Het negeert de Voëlvrij festivals die ook veel jongeren trekken uit het soort gesloten gemeenschap waarin Pols opgroeit. Het vormt een beweging die ook een cultuur van gezagsgetrouwheid en patriarchaat in eigen kring attaqueert. En het negeert witte Afrikaners die zich al veel eerder tegen de apartheid keerden en het instrumentarium vonden om zich van een racistisch begrippenkader te bevrijden. Bram Fischer, de advocaat die Nelson Mandela verdedigde, dominee Beyers Naudé, schrijver Breyten Breytenbach. Is dit Donald Pols destijds allemaal ontgaan? Ik vind het moeilijk voorstelbaar.

Het ontbreekt hem in het artikel niet aan superlatieven waarmee hij zijn vroegere acties veroordeelt. Maar waarom onderbouwt hij deze distantie met een voorstelling van zaken die suggereert dat hij zelf ook een slachtoffer was? Er waren, zeker begin jaren negentig, zoveel anderen die, zoals Tjaart, een nieuwe koers inzetten. Donald Pols daarentegen hield vast aan een gewelddadig onderwerpingsideaal. Dat je je daarvoor schaamt, valt goed te begrijpen. Maar hij is niet de enige en Zuid-Afrikanen brengen wonderlijk veel begrip op voor dit soort dwalingen, zolang je verantwoordelijkheid neemt. Dat je je in een zelfverklaarde drang tot Wiedergutmachung inzet voor het milieu is mooi, al kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat een zeker fanatisme ook in Pols’ nieuwe, ‘neo-marxistische’ leven een constante is. Een poster met Nelson Mandela achter je bureau hangen, ik vind het eerlijk gezegd een beetje smakeloos als je de man eerder van de campus hebt weggejaagd. Nee, overtuigender is om het eigen verleden eerlijk en open tegemoet te treden zonder al die zogenaamd verzachtende omstandigheden, die jouw toenmalige acties onvermijdelijk doen lijken, aan te voeren. In het besef dat je wel degelijk een keuze had.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.