
Twee recent verschenen artikelen stellen indringende vragen over de inrichting en de collectie van het Amsterdamse Zuid-Afrikahuis. Wat zegt de prominente aanwezigheid van een portret van Boerenleider Paul Kruger in de bestuurskamer over de koers van dit instituut?
Er overvalt mij, schrijft Pieter du Plessis in zijn essay in Etnofoor, als hij de bestuurskamer in het Amsterdamse Zuid-Afrikahuis binnenloopt, een gevoel dat hem herinnert aan zijn jeugd, zijn opvoeding, zijn school. Du Plessis, die doctoraal onderzoek doet aan de Universiteit van Maastricht, groeide op in een witte plattelandsgemeenschap in Zuid-Afrika. Daarin ontbrak het aan enige aandacht voor de geschiedenis van Zwarte landgenoten, van hun onderdrukking, uitbuiting en verzet. De kamer in het Zuid-Afrikahuis ademt precies die sfeer, ‘het is een ruimte die witheid demonstreert, een witheid, zo nadrukkelijk en zo vol van omissies dat het vertrouwd aanvoelt’, aldus Du Plessis. Het zijn beslist geen warme gevoelens.

Wat is er dan zo wit aan deze ruimte? Du Plessis’ oog valt op een groot portret van Boerenleider Paul Kruger, in 1902 geschilderd door Thérèse Schwartze en een melkbus waarin in de jaren tachtig van de negentiende eeuw aanmeldingen voor aandelen in de Nederlandsch-Zuidafrikaansche Spoorweg Maatschappij (NZASM) werden verzameld. Ook hangt er een tegelmozaïek aan de muur waarop een tienjarige prinses Wilhelmina is afgebeeld. Zij stuurde tijdens de Tweede Boerenoorlog (1899-2002) Hare Majesteits’ de Gelderland om Kruger uit een benarde positie te redden en naar Nederland over te brengen. Een Zuluschild, compleet met peilen en knobkerries, mag op het eerste gezicht een zwart accent in de spierwitte ruimte aanbrengen, maar dit schild lijkt eerder een herinnering aan een slag in 1838 tussen Boeren en Zulu’s bij Bloedrivier/Ncome te vertegenwoordigen. In witte ogen voldoet het stereotype van de Zulukrijger aan alle vooroordelen over ‘edele wilden’.

De objecten in deze ruimte staan niet op zichzelf. Grote delen van het archief van het Zuid-Afrikahuis ademen een koloniale geur. Weliswaar is met een kleine inhaalslag in de afgelopen jaren geprobeerd om het aanbod in de publieke bibliotheek iets veelkleuriger te maken, toch lijkt dit nog te zeer een facade waarachter een wereld vol ‘witte onschuld’ schuilgaat. Ik heb enkele jaren terug voor een artikel over de geschiedenis van de NZASM1 veel onderzoek in het Zuid-Afrikahuis gedaan en trof in een overweldigende hoeveelheid documenten waarin de geschiedenis van dit koloniale project wordt bejubeld ook enkele subtiele verwijzingen naar het verzet van de Zwarte spoorwegarbeiders tegen de mensonterende praktijken waaraan zij werden blootgesteld. Wie goed tussen de regels van jaarverslagen doorleest, ontdekt al even subtiele verwijzingen naar de protestacties van de migrantenarbeiders die met de treinen van de NZASM van Mozambique naar de Zuid-Afrikaanse mijnen werden vervoerd. Aanvankelijk waren deze treinen bedoeld voor vrachtvervoer tussen Pretoria, de hoofdstad van Kruger’s Transvaalse Republiek, en de haven van Lourenco Marques (nu Maputo). Na de goudvondsten werden de vrachtwagons ingezet voor personenvervoer, zonder deze aan te passen. Het ontbrak daarin onder meer aan zitplaatsen en sanitaire voorzieningen.
Du Plessis noemt de geschiedenis van de NZASM er een van ‘raciaal kapitalisme, sterk verbonden met het fundament van het Zuid-Afrikahuis’. Nog tijdens de Boerenoorlog onteigenden de Britten de NZASM en namen het bestuur van het bedrijf over. Na de oorlog stemmen ze toe in het betalen van schadevergoeding aan de Nederlandse eigenaren. Dit vermogen (en het rendement ervan), gemaakt met exploitatie van zwarte arbeidskrachten, dat in de loop der jaren oploopt tot vele miljoenen is de financiële kurk waarop het Zuid-Afrikahuis tot op de dag van vandaag drijft.

In een poging het gesprek over de collectie van het Zuid-Afrikahuis een nieuwe impuls te geven, stelt ook historicus Barbara Henkes in een artikel in Spectrum , een online magazine van het huis, een aantal indringende vragen. Het huis wil graag zijn deuren openen voor een ieder die op de een of andere manier geïnteresseerd is in of zich verbonden voelt met Zuid-Afrika. “Maar wie voelen zich er echt thuis als ze eenmaal binnen zijn?”, vraagt Henkes. Ze herinnert eraan dat het huis gebouwd is in de hoogtijdagen van de Nederlandse koloniale expansie. Mannen die als Gouverneur-Generaal actief waren voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) bewoonden het statige pand. Naar aanleiding van een gesprek dat de Zuid-Afrikaanse journalist Johan Allers met de nieuwe directeur van het huis, Susan Coetzee-Van Rooy, voerde en op zijn YouTube kanaal publiceerde, gaat Henkes in op de vraag: ‘Van wie is het Zuid-Afrikahuis?” Allers is hier duidelijk over en zegt: “Hou in gedachten Susan, hierdie huis behoor aan ons.” Het heeft er alle schijn van dat Allers met ‘ons’ wit Zuid-Afrika bedoelt, of, nog specifieker, Afrikaners. Henkes citeert uit een bijdrage die de Zuid-Afrikaanse dichteres Ronelda Kamfer en haar man, tekenaar Nathan Tantraal, aan de eerder verschenen jubileumbundel leverden: “De inrichting van een huis speelt mee als het gaat om identificatie of juist vervreemding bij de bezoekers.” Zo vaak kwam ik in de loop der jaren Zuid-Afrikanen tegen die uiting gaven aan grote verbazing over, om niet te zeggen stevige verbijstering, de prominente aanwezigheid van Kruger, een man die een flink stempel drukte op de koloniale onderdrukking! Bij hen was duidelijk sprake van de vervreemding waarvan Kamfer en Tantraal spreken.
De vraag of het schilderij van Kruger verwijderd moet worden (van zijn plek, niet uit de collectie), of althans niet tentoongesteld, of op zijn kop gehangen, omgeven door contrapunten of omgedraaid (zoals het Michaelis museum in Kaapstad eens deed in een expositie van een aantal van zijn oude meesters) laat ik hier buiten beschouwing. Kruger lijkt een uithangbord van een platform dat soms het gesprek over zijn koloniale oorsprong en gemankeerde collectie aanzwengelt om er als gevraagd wordt naar de consequenties telkens weer het zwijgen toe te doen. Dat taalverwantschap tussen Nederlands en Afrikaans nog steeds de kern vormt van de doelstelling van het Zuid-Afrikahuis lijkt mij gezien de ruim geschakeerde taligheid van Zuid-Afrika een anachronisme. Dat het gesprek over onderwerpen als de extreemrechtse lobby over een niet-bestaande genocide tegen witte boeren, of de inmiddels door tal van landen gesteunde dappere aanklacht tegen Israël bij het ICC angstvallig buiten de deur wordt gehouden, lijkt mij vooral teleurstellend voor mensen die belangstelling hebben voor actuele ontwikkelingen in Zuid-Afrika. Een publiek waarop het huis zich ook zegt te willen richten.
Het gaat er niet om, zo betogen ook de auteurs van beide artikelen, de huidige collectie, waaronder de objecten in de bestuurskamer, bij het grof vuil te zetten. Integendeel, hoe schokkend soms ook, de collectie leert ons veel over een koloniale geschiedenis, en dus over de wortels van witte suprematie en uitsluiting – fenomenen die nog lang niet tot het verleden behoren. De kunst is juist om de collectie te verrijken met perspectieven die lang buiten de deur werden gehouden.
Ideeën over hoe zulks vorm kan krijgen, stonden ter discussie op het seminar Open the Archives! dat het Zuid-Afrikahuis in 2023 ter gelegenheid van zijn honderdste verjaardag organiseerde. Het regende hier voorstellen waarmee het ZAH zijn voordeel had kunnen doen. Echter, de deelnemers aan het seminar werden door bestuur en directie destijds vriendelijk voor hun aanwezigheid bedankt maar op de voorstellen werd niet inhoudelijk ingegaan. Men zou ermee aan de gang gaan, u hoort nog van ons. Een jaar later verscheen de eerder genoemde bundel Absent Presences die even zeer tal van suggesties bevat. Ook op de publicatie van deze bundel volgde een oorverdovend zwijgen.
Nu is er een nieuwe bijeenkomst aangekondigd. Op dinsdag 26 mei organiseert het huis in samenwerking met DutchCulture een evenement waarin kunstenaars van gedachten wisselen over ‘interventies’ in de koloniale archieven en erfgoedcollecties. Er is een indrukwekkende line up van deelnemers met onder meer beeldend kunstenaar Buhlebezwe Siwani, spoken word artist Julia Beth-Harris, Jennifer Tosch en Katy Streek van Sites of Memory en de Kantonees-Nederlandse beeldend kunstenaar Jonathan Tang. Het gesprek wordt geleid door de eminente Zuid-Afrikaanse academicus, professor Carine Zaayman.
Het is goed dat er een vervolg op eerdere gedachtewisselingen komt. Het is beter als deze tot werkelijk tastbare veranderingen leidt.
1 Dit artikel verscheen in de bundel Absent Presences die werd uitgegeven ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het Zuid-Afrikahuis en werd nadien ook gepubliceerd in ZAM Magazine.