Duistere zaken | Controleerde de CPN de antiapartheidsbeweging?

goris

In zeer bescheiden kring woedt al jaren een kleine polemiek over de vraag of en in hoeverre de Communistische Partij van Nederland (CPN) de AABN controleerde. Een nieuwe studie komt tot een opmerkelijke conclusie.

Aanvankelijk noteerde ik in plaats van polemiek Historikerstreit. Maar dat begrip suggereert ten onrechte dat de deskundigen het oneens zijn.  In zijn omvangrijke studie naar de geschiedenis van de antiapartheidsbeweging ( Aan de Goede Kant, Uitgeverij Aspekt 2013 ) uit Roeland Muskens al gerede twijfel aan de voor sommigen vanzelfsprekende aanname dat de AABN bestuurders aan de lijn liepen van het CPN-bestuur. ‘Zo simpel was het niet’, aldus Muskens. In een in opdracht van het Komitee Zuidelijk Afrika en de Werkgroep Kairos in de jaren negentig uitgevoerd onderzoek concludeert VU student Beppechien Bruins Slot er niet in geslaagd te zijn de vraag te beantwoorden of de AABN een ‘mantelorganisatie’ van de CPN was. Toch leidt de samenzweringstheorie een hardnekkig bestaan. In een gesprek in het radioprogramma Kunststof meldde de presentator onlangs dat oud-KZA-voorman Sietse Bosgra zeer te spreken was over Muskens’ boek omdat hij er een bevestiging in las van wat hij altijd al vermoedde: dat de CPN, en dus ‘Moskou’, in de AABN de dienst uitmaakte. Muskens reageerde verbaasd omdat hij zulks in het geheel niet had beweerd. Maar dat het misverstand hier en daar leeft, herkende hij wel. Zijn buurman, de politicoloog Meindert Fennema, die zelf ooit in de CPN actief was, had het bij herhaling over ‘ die CPN-club’.

Onlangs voltooide Yannicke Goris haar thesis ‘The Dutch Communist Party and the question of Apartheid – Analyzing the CPN’s position in relation to South Africa’s Apartheid and the anti-Apartheid movement in the Netherlands’. Haar conclusies laten aan duidelijkheid weinig te raden over. De aan de Radboud Universiteit afgestudeerde historica schrijft geen document te hebben gevonden ‘dat enig bewijs leverde voor de relatie tussen AABN en CPN, of van controle van de AABN door de CPN’. Dat de AABN een ‘mantelorganisatie’ zou zijn noemt ze ‘gerucht en geen realiteit’. Goris gaat echter verder dan de hierboven genoemde onderzoekers. Op grond van interviews, bestudering van de partijarchieven en vele jaargangen van het communistische dagblad De Waarheid stelt ze vast dat de CPN in de jaren zeventig en tachtig nauwelijks in Zuid-Afrika geïnteresseerd was. Doorbrak de partij in de jaren vijftig een nagenoeg nationale consensus die voorschreef om over de apartheidspolitiek te zwijgen, in later decennia beperkt men zich tot plichtmatige stellingnamen en nemen de volksvertegenwoordigers van de CPN nauwelijks deel aan het debat over Zuid-Afrika. Pas medio jaren tachtig komt de kwestie wat hoger op de agenda van het CPN bestuur. Maar dan loopt de partij al op zijn laatste benen.

De ironie wil dat juist De Waarheid in 1975 de plannen tot levering van kernreactorvaten aan het apartheidsbewind onthulde. Het leidde tot stormachtige debatten in de Tweede Kamer en de toenmalige regering-Den Uyl wankelde. CPN-fractievoorzitter Marcus Bakker keert zich eveneens tegen de levering maar zijn bijdrage aan het debat behandelt met name de vraag of afzien van levering consequenties heeft voor de werkgelegenheid. CPN-voorzitter Hoekstra verzucht na de crisis in een vergadering van het partijbestuur: ‘Zuid-Afrika zal wel een tijdje een rol spelen in de politiek. Maar we moeten niet meegezogen worden in deze duistere zaken. In toekomstige debatten moeten we de nadruk leggen op de noodzaak van hogere lonen’.

Vier jaar later ontstaat er opnieuw grote beroering in de Nederlandse politiek als nieuwe drukmiddelen op het blanke minderheidsbewind, zoals een olieboycot, ter discussie staan. Ook nu spreekt er weinig enthousiasme uit de wijze waarop de CPN-woordvoerders de thematiek behandelen. Men is voor zo’n boycot maar, zo schrijft Yannicke Goris, ook na de val van erevoorzitter Paul de Groot blijven de CPN-parlementariërs vasthouden aan de klassieke thema’s van de partij: klassenstrijd, kernwapens, antiamerikanisme. Het gaat om klassen, en niet om rassen.

Pas in 1985 groeit de aandacht voor de ontwikkelingen in het zuiden van Afrika. Er wordt een werkgroep opgericht, waaraan ik samen met AABN-voorzitter Conny Braam, deelnam. Ook toenmalig voorzitter Elli Izeboud (die in de jaren zeventig actievoerde voor het verbreken van de banden tussen de VU en blanke universiteiten in Zuid-Afrika) en de eerder genoemde Henk Hoekstra waren lid. Met de gang van zaken in de AABN hield het gezelschap zich niet bezig. Er werd vooral gepraat over de ontwikkelingen in Zuid-Afrika die Hoekstra inmiddels als ‘revolutionair’ beoordeelde. Eén keer kwam ter sprake dat CPN-bestuurslid Ina Brouwer zich met de sprekerslijst voor een grote manifestatie tegen de apartheid wilde bemoeien. Ik had daar in een brief verontwaardigd afstand van genomen. Hoekstra nam kennis van de inhoud en knikte instemmend.

Terwijl de antiapartheidsbeweging vanaf midden jaren zeventig onstuimig groeide, richtte de CPN haar blik op kwesties die ze van meer gewicht achtte dan apartheid. Even opmerkelijk is Goris’ observatie dat de AABN-ers, waarvan er nogal wat lid waren van de CPN, huiverig waren om al te zeer steun te zoeken voor de campagnes bij hun eigen partij. Want dat zou de misverstanden weer aanwakkeren.

* De studie van Yannecke Goris is opgenomen in de collectie van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) en is daar ook in te zien.

4 thoughts on “Duistere zaken | Controleerde de CPN de antiapartheidsbeweging?”

  1. Hallo Bart ,
    Interessant stuk. Ofschoon ik het met de strekking eens ben, herinner ik mij de positie van de CPN in de zeventiger jaren t.o.v. Zuid-Afrika en Zuidelijk Afrika anders dan in het stuk wordt weergegeven. Zo was er in die jaren naar mijn mening veel aandacht voor de strijd in Angola maar ook voor die in Zuid-Afrika. Ik herinner mij nog goed discussies en deelname aan demonstraties in 1976 n.a.v. de Soweto-opstand. Zo weet ik nog dat jij en ik tijdens een picket-line in de Leidsestraat met elkaar in gesprek waren over de vraag waarom er nauwelijks deelname vanuit de Surinaamse gemeenschap was voor de acties tegen het Zuidafrikaanse bewind.
    Gesteld wordt dat grond van interviews, bestudering van de partijarchieven en vele jaargangen van het communistische dagblad De Waarheid de CPN in de jaren zeventig en tachtig nauwelijks in Zuid-Afrika geïnteresseerd was. Volgens mij was die interesse er wel degelijk. Op menig partijvergadering werd er aandacht aan besteed. Iets anders is dat de CPN daar nauwelijks organisatorische consequenties aan verbond. In mijn herinnering was het zelfs zo dat gezegd werd dat daar het Medisch Komite Angola en de AABN voor waren. En dat gegeven sluit weer aan bij de strekking van bovenstaand stuk.

    Ik ben niet van plan de archieven in te duiken maar mij staat bij dat de Waarheid wel degelijk aandacht aan Zuid-Afrika besteedde. Zo schiet mij b.v. de toekenning van het eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam aan Govan Mbeki te binnen en de daaraan verbonden discussies.

  2. Dag Arnold. Terecht herinner je de betrokkenheid van tal van CPN-leden bij de antiapartheidsbeweging. Goris’ onderzoek laat zien dat hieraan door de meeste CPN bestuursleden en vertegenwoordigers lang geen al te hoge prioriteit werd toegekend. Het klopt ook dat De Waarheid niet als een barometer van (gebrek aan) belangstelling voor Zuid-Afrika op hoog niveau kan worden gezien.

  3. Ook ik vertrouw volledig het bedoelde doorwrochte bronnenonderzoek – al herinner ik mij persoonlijk, evenals Arnold Jansma een meer dan gemiddelde belangstelling van de CPN voor de anti-apartheidsstrijd. Dat was verre van raar, want een bevrijding van Zuid-Afrika schiep immers een perspectief t.a.v. de emancipatie van het hele continent. De verwachtingen liepen hoog op – toen. Yannicke Goris (wat een opvallende bezieling om dit NU NOG helemaal uit te pluizen op het IISG – wat zit daarachter?!) leunt sterk op empirisch-aantoonbare gegevens en inhoudsanalytische bronnen. Op dat niveau durf ik er geen speld tussen te wrikken. Maar wat was het klassieke kenmerk nou juist altijd van een communistische mantelorganisatie-in Leninistische zin? Dat de onderlinge banden dus geheim zijn, dus lees: formeel niet bestaan..! Op cultureel niveau – d.w.z. in de onderlinge omgangsvormen binnen en tussen partij en actiegroep – waren er dus natuurlijk WEL die banden, die ik zelf, vanuit mijn eigen ervaringen, het beste kan karakteriseren als een “ons-kent-ons”-houding en onder sommigen (oud-ANJV-ertjens..!) ook regelrechte arrogantie. Die andere Zuidelijk-Afrika-clubs waren binnen deze cultureel-informele maar zo pregnante houding weinig waard en “christelijk” – veroordeling nog net niet, maar het zat er altijd dicht tegenaan. Culturele houdingen staan natuurlijk nooit in de kolommen van een krant of in partijverslagen. Vandaar dat de invloed haast nooit empirisch aangetoond kan worden – pas als er stront van komt (zoals bij de ASVA via de kwestie-Simone Walvisch) komt zoiets in de krant. In de perfecte mantelorganisatie-verhouding wordt gedonder natuurlijk altijd adequaat voorkomen, want dan zouden er immers personen door manden vallen. Voor de duidelijkheid: ik zelf had als CPN-communist geen enkele moeite met mantelconstructies (en ik zag er vele), ik was immers leninist. En NU NOG zie ik ontelbare mantelorganisaties opereren in het kielzog van het huidige CDA en D66 en PvdA – dagelijks staan de kranten vol van deze “mantelorganisaties”. Ja, NU ! Waar ik mij – ook via fb over Barts’ bericht hierover – echter aan ergerde was aan die arro-houding van een aantal Anti-ABN-ers toen jegens andere actiegroepen t.a.v. Zuidelijk Afrika. “Wij doen dat beter”, sprak daar niet zelden gniffelend uit, of zelfs een volkomen negeren van deze zusterclubs. Ik denk zomaar dat meer onderlinge afstemming en samenwerking mogelijk zou zijn geweest, zonder die houding – waar vooral CPN-ertjens toen erg sterk in waren. Ik weet dat een Friesch-strenge leidsman aan gene zijde ook niet al te makkelijk schijnt te zijn geweest, maar toch… Als ware mantelorganisatie probeer je de culturele hegemonie van iedereen te winnen – zelfs die van medestrijders voor een anti-racistisch Zuidelijk-Afrika.

  4. Tal van CPN-ers waren actief in de antiapartheidsbeweging. Daar zaten ook arrogante, betweterige en soms erg van zichzelf overtuigde types bij. Ik zeg het je allemaal na. Ik herinner me nog hoe Henk Odink, die de Angolese bevrijdingsstrijd steunde, de meest onzinnige en venijnige samenzweringstheorieën over het Komitee Zuidelijk Afrika op de partijgenoten losliet (die door onze vrienden van het KZA overigens met even vileine complotgedachten werden beantwoord). Dit is, Godzijdank, allemaal geschiedenis.

    Waar je echter geheel aan voorbijgaat is Yannicke Goris’ opmerkelijke observatie dat de CPN-leiding en vertegenwoordigers decennia lang weinig belang hechtten aan wat er in het zuiden van Afrika gebeurde. Het had in hun ogen weinig met klassenstrijd te maken en kon dus ingevolge de marxistische blikvernauwing niet van belang zijn. Op het hoogste niveau ontbrak dan ook elke ambitie om van de AABN een mantelorganisatie te maken. Die conclusie is bijna net zo schokkend als de verdachtmaking, die telkens weer de kop opsteekt, ook in jouw reactie, dat de AABN wel een mantelorganisatie van de CPN was. Mij lijkt dat de betekenis van Yannicke Goris’ onderzoek vooral is gelegen in het feit dat ze die voorstelling van zaken bezield, maar vooral op grond van haar bevindingen, naar het rijk der fabelen verwijst.

Reacties zijn gesloten.