Oorlog

Amsterdam jaren tachtig
Amsterdam jaren tachtig

In april 1980 had ik een muzikant te gast die met zijn punkband zou deelnemen aan een festival dat ik meehielp te organiseren. Nadat we de afspraken voor het optreden hadden doorgenomen, raakten we in gesprek over wat in die dagen de gemoederen nogal bezighield, kroningsdag. De muzikant woonde in een kraakpand in Utrecht en was de idealen van zijn beweging volledig toegewijd. Het vuur spatte van zijn woorden over huisjesmelkers, speculanten en een repressieve overheid. “We zijn in oorlog, Bart.”

De stelligheid waarmee hij zijn overtuiging beleed, ontnam mij elke lust om hem tegen te spreken. Ik mompelde nog wel dat mij bij oorlog toch andere beelden door het hoofd schoten, maar Ralph, zo noem ik hem maar even, was voor geen enkele rede vatbaar. Dat zijn woede iets verleidelijks had, hielp evenmin. Om mijn geheime agenda te realiseren, was ik bereid om hem in alles gelijk te geven. Het werd erg laat en hij bleef overnachten in het gastenvertrek van het huis waar ik destijds als vakantiewacht toezicht hield. Zo bleef alles in het nette en had mijn laffe zwijgen niets opgeleverd.

Ik vatte maar moeilijk de slaap omdat Ralph me had toevertrouwd dat hij met zijn collega krakers de ‘Geen Woning, Geen Kroning’ actie gedegen had voorbereid. In het pand waar hij woonde, lagen explosieven opgeslagen, vertelde hij. Dat pand stond in het centrum van zijn stad. Realiseerden ze zich wel welke risico’s ze namen? Ik denk niet dat ik heb overwogen de politie te waarschuwen. Ik zag de ME niet als De Vijand maar ermee collaboreren ging wel erg ver.

Tot mijn grote opluchting bleef het op 30 april 1980 tamelijk rustig in Utrecht.

Ooit nam de kraakbeweging het op tegen een schrijnende onrechtvaardigheid die vooral onze steden teisterde. Bijna iedereen, zo wezen opinieonderzoeken uit, steunde het streven van de krakers. Ik deelde die sympathie maar twijfelde aan een praktijk waarin de sterksten zich het recht toe-eigenden op een woning zonder mensen die vaak al jaren op hun beurt wachtten voor te laten gaan. Ik zag mijzelf ook geen koelkast van het dak gooien als de politie een pand bestormde en moest er niet aan denken oog in oog te staan met de knokploegen van de speculanten. Van explosieven kon ik beter afblijven. De kogel die ik op de sportdag van school stootte, belandde achter me. Als angsthaas was ik niet in de wieg gelegd om kraker te worden. Ik woonde dan ook tot mijn vijfentwintigste bij mijn ouders.

In de loop van de jaren tachtig degenereerde een aanzienlijk deel van de kraakbeweging. Niet verkozen leiders gingen zich als potentaten gedragen, geweld, toch al niet mijn keuze, werd van middel tot doel. Tijdens het ‘Staatstribunaal’, dat ik medio jaren tachtig voor de krant versloeg, betoogde Mr. Bakker Schut dat hij het begrip ‘terrorist’ als eretitel beschouwde. Daar mocht ik in een commentaar scherp stelling tegen nemen. Tijdens de omdoping tot Steve Bikoplein in 1987 werd ik achtervolgd door iemand die als ‘kraker Koos’ enige naam had gemaakt. Toen ik geen kant meer op kon, duwde hij een microfoon voor mijn mond en vroeg waarom er tijdens de manifestatie Heineken werd geschonken. Dat bedrijf was toch in Zuid-Afrika actief? Ik repliceerde met de vraag waarom hij het gesprek opnam met een recorder van een bedrijf dat ook in Zuid-Afrika actief was en schreef er een column over voor de krant. Toen ik hem weer tegen kwam, trok hij de bril van mijn neus.

In 1993 verhuisde ik naar Johannesburg. Ik leerde daar iemand kennen die eind jaren tachtig voor de kraakbeweging naar Zuid-Afrika gevlucht was. Zijn kritiek op het ontbreken van enige democratie in die beweging werd niet op prijs gesteld. Er moest met hem worden afgerekend.

Wie in de waan verkeert dat het oorlog is, zal er geen moeite mee hebben zulke methoden te rechtvaardigen. Ik moet er dezer dagen vaak aan denken als ik een nieuwe oorlogsverklaring aan het adres van de aanslagplegers lees. Het zal die aanslagplegers bevestigen in een overtuiging die meer geweld rechtvaardigt en dus heel nadrukkelijk moet worden tegengesproken. Het is hier geen oorlog.