Homo’s kiekn’

Homo’s kiekn’

1

We maakten een reportage voor de krant in Doetinchem. Begin jaren tachtig, Café Verkeerd. Dit was de plaatselijke homosoos die om de week op vrijdagavond een onderkomen vond in een non-descript buurthuis. Het stond nergens aangegeven en dus zochten we die avond een tijdje naar de ingang. Binnen: een bar en pakweg vijftien mannen, de meesten op leeftijd. Stokoud, dacht ik toen.

We mengden ons met het gezelschap en knoopten gesprekken aan. Veel van de mannen hadden een heteroseksueel huwelijk achter zich. Er heerste een uitgelaten stemming. De verhalen die we hoorden waren aangrijpend maar de nieuw verworven vrijheid – één keer in de veertien dagen – leek alles goed te maken. Ik sprak met een man uit Dinxperlo die zijn leven lang brood had gebakken, vroeg op moest en pas na zijn pensionering een televisie had aangeschaft. Door een talkshow werd hij zich ervan bewust dat er voor zijn gebrek aan interesse in vrouwen een woord bestond, en een alternatief. Dat woord vond hij terug in de krant, onder een aankondiging van de tweewekelijkse homosoos. Hij was er nu voor de derde keer.

Kort na ons gesprek verliet de bakker het café met een jonge man aan zijn zijde. Door de ruit zag ik je jongen achter op de brommer plaatsnemen, op weg naar het avontuur in Dinxperlo. Na hun vertrek kwam er een uitgelaten gezelschap dames en heren binnen. ‘Die komen homo’s kiekn’, schamperde de man met wie ik net een gesprek had aangeknoopt. Eindelijk een ruimte voor henzelf, en daar waren ze weer.

Homo’s kiekn’. Daar moest ik bij de beelden van Pride vandaag even aan terugdenken.

2

(Uit Puur Goed, Uitgeverij Augustus, 2010)

Johannesburg, 1998. In de loop der maanden was Simon zienderogen verzwakt. Steeds vaker verzuimde hij zijn werk. In zijn badkamer stond een indrukwekkende hoeveelheid medicijnen uitgestald. Maar de Gay Games en de grachtentocht, die in de loop van de zomer in Amsterdam zouden plaatsvinden, wilde hij nog meemaken. Ik betwijfelde of het verstandig was om de lange reis te maken, maar wist dat het geen zin had om hem op andere gedachten te brengen.

Een paar weken voor vertrek nodigde hij me op een zondagmiddag uit om voor de zestig koppen tellende Zuid-Afrikaanse delegatie iets te vertellen over Amsterdam. De meesten gingen voor het eerst op een buitenlandse reis. Mijn scepsis over dit soort evenementen smolt toen ik in Simon’s volgepropte appartement in honderdtwintig verwachtingsvolle ogen keek. Voor me op de grond zat Vusi, die me een week eerder had verteld hoe zijn broer hem alle hoeken van de kamer had laten zien toen hij zijn homoseksualiteit had opgebiecht. Achter in een hoek stond Josephine hand in hand met haar eveneens in een herenkostuum gestoken partner. Een week nadat de Zuid-Afrikaanse volksvertegenwoording een grondwet adopteerde die ‘vrijheid van seksuele oriëntatie’ garandeerde, waren de vrouwen in de avond opgewacht door een troep dronken jongens. “We’re going to fix you!” hadden ze geroepen en het vriendinnenstel met messen bedreigd. Josephine en haar partner waren ternauwernood ontkomen. Opeens begreep ik wat het betekende om twee weken te midden van gelijken te zijn, weg van vaak kommervolle omstandigheden, in vrijheid, in de ‘bevrijde zone’ die Amsterdam heette. Ik vertelde over de Reguliersdwarsstraat, het Homomonument en Vivelavie, een café voor lesbiennes in de Amstelstraat, over Anne Frank en de Dokwerker.

Wat een ironie dat ik alle remmingen die mijn eigen seksuele bevrijding in de weg hadden gestaan juist in hún land van me af had geworpen, zo drong op die zondagmiddag tot me door, en zij nu in het mijne hun vrijheid gingen vieren.