Een brief aan Carl Niehaus

Beste Carl,

Begin jaren negentig. Op de publieke tribune in de Tweede Kamer. In een debat over een voorgenomen bezoek van premier Lubbers aan Zuid-Afrika neemt het kamerlid Janmaat het woord. ‘Een racist’, fluistert mijn collega Fulco van Aurich tegen je. Je vraagt: ‘Nog een?’

Vandaag, 13 februari 2009. De krant meldt dat je gefraudeerd hebt. In een interview met de Mail & Guardian ben je in tranen uitgebarsten. Je geeft toe dat je handtekeningen hebt vervalst om een lening te krijgen. Je boekte een vakantiereis naar Zanzibar op kosten van de kerk waarvoor je werkte. Je regelde een vliegticket voor je ex-vrouw Linda Thango op kosten van de president. Je nam een helicopter van de ene vergadering naar een andere. Deloitte & Touche, de Rhema kerk, de provincie Gauteng, het presidentieel kantoor – overal maakte je schulden. Ook aan je huis aan de Prinsengracht dat je kocht toen je voor de notarissen werkte, kleeft een luchtje. Alleen over de jaren van je ambassadeursschap en daarvoor klinkt geen wanklank. Toen ging je nog met Jansie.

Voorjaar 1992. We dronken die avond in een cafe bij het Rembrandtsplein na een conferentie over het omroepbestel in het nieuwe Zuid-Afrika. Collega-journalist Mark Gevisser, die later een geniale biografie over de door jou zo gehate Thabo Mbeki zou schrijven, en Conny Braam waren er ook bij. Met verwondering sloeg je gade hoe Conny en ik De Glimlach van een Kind karaookten. Nadat Mark nadrukkelijk gegaapt had, gingen we uit elkaar. Toen je al uit het zicht verdwenen was, zei Mark: ‘Waar zijn hier de homocafe’s?’

‘Most of what you’ve confronted me with is true … I’ve made massive misstakes’, heb je nu tegenover de krant verklaard. Bij een foto waarop je met Linda te zien bent, meldt het onderschrift: ‘Carl Niehaus with ex(travagant?) wife Linda Thango.’ En hoewel je tranen aan een Amerikaanse televisiedominee doen denken, van wie net ontdekt is dat hij naar de hoeren is geweest, prijs ik je om het feit dat je de verleiding hebt weerstaan om alles in haar schoenen te schuiven. De krant bood je die gelegenheid en in de hoge eisen die Linda aan het publieke leven stelde, schuilt vermoed ik een belangrijke verklaring voor jouw ondergang. Maar als een vent neem je je verantwoordelijkheid. Mijn gevoel zit ingeklemd tussen boosheid en compassie.

Natuurlijk stond er, ergens in de gang van Luthuli House, het ANC hoofdkwartier, een anonieme bron klaar die met zekerheid weet te melden dat je graag groot en uitbundig leefde, en dat je hield van glamour. Na je scheiding van Jansie.

Met haar heb je me toen op een Zuid-Afrikaanse zomeravond in1991 afgezet bij het huisje van Simon, mijn toenmalige geliefde. Pas later hoorde ik dat jullie – jij, Jansie en Simon – in het begin van de jaren tachtig een huis hadden gedeeld – in de jaren dat er eenzame opsluiting stond op het samenwonen van zwarten en blanken. En jullie belandden ook in de gevangenis maar op nog ernstiger verdenking dan immoraliteit: landverraad. In drie verschillende gevangenissen, geheel geclassificeerd naar ras en sexe. Vorig jaar heb je in een brief aan je dochter voor het eerst durven vertellen wat je daar onder meer is overkomen. Een verkrachting door twintig mannen, de een na de ander. Dat Jansie in een verhoor gedwongen werd om voor een opname-apparaat Die Stem, het volkslied van Apartheid Zuid-Afrika te zingen en dat die tape in een andere cel voor jou werd afgespeeld, wist ik al uit je autobiografie. Het vormde de aanleiding voor je zelfmoordpoging. Het leven van een Zuid-Afrikaanse strijder voor democratie in een paar regels.

Wat bezielde je toch? Ik kan moeilijk geloven dat je simpelweg voor de verleiding gevallen bent. Carl, waar heeft jouw pijn in al die jaren die het nieuwe Zuid-Afrika nu al duurt een kuur gevonden? Of zit het nog steeds verborgen onder een strijdersharnas dat maar niet van je af wil vallen? Ik weet hoe moeilijk het was om van Jansie te scheiden. Na alles wat jullie samen doorstaan hadden was de verdorring van de liefde van weinig betekenis. Na de strijd hield dochter Helen, vernoemd naar Helen Joseph, jullie nog bij elkaar. Totdat het niet meer ging.

Daarna volgde de scheiding van het ANC. Mandela maakte plaats voor Mbeki. Mbeki zag voor jou geen plaats. ‘Je bent in het ANC tegenwoordig als blanke meer geliefd als je nu lid wordt dan als je dat in de jaren van de apartheid deed’, vertelde je me bitter. Waarna de omzwervingen begonnen van een ngo naar het bedrijfsleven naar een kerk en naar de overheid. En toen je alles gedaan had, werd je consultant. In ZAM hebben we enkele jaren terug nog een foto van je geplaatst waarvan je de ironie zelf totaal ontging. Je stond met de armen geheven achter de kansel van de Rhema kerk.
Daarvoor had je Linda al ontmoet. Misschien hield je van haar. Misschien wilde je in al je eenzaamheid nu echt de Rubincon oversteken en in het multiraciale universum belanden. Misschien vulde Linda de ruimte die Jansie en Mbeki hadden achtergelaten? Ben je ver boven je stand gaan leven uit angst opnieuw verlaten te worden? Waarom stond je toe dat ze je uitmolk? Omdat ze zwart was? Was er nog iets waar jij je als blanke schuldig over moest voelen?

In een cafe in de Reguliersdwarsstraat nam je in 1998 mijn boek Moffies, reportages over het homoleven in het zuiden van Afrika, in ontvangst. Je sprak als ambassadeur intense en gemeende woorden. Enkele dagen later dineerden de Zuid-Afrikaanse deelnemers aan de Gay Games in jouw ambtswoning. Simon was erbij, stierf een paar maanden later aan Aids. En Edwin Cameron, sinds begin dit jaar benoemd tot rechter in het Constitutionele Hof, die toen nog niet voor zijn hiv status durfde uit te komen. Peter Hermes, de toenmalig directeur van het Nederlands instituut voor Zuidelijk Afrika, vroeg aan jouw medewerker LeRoux hoe lang hij al op de ambassade werkte. LeRoux keek in het niets en zei: ‘Al vrij lang.’ Zo wisten we dat hij daar al werkte toen deze missiepost nog de gruwelen van de apartheidspolitiek verdedigde. Ook dat ambassadeurschap moet verschrikkelijk eenzaam zijn geweest.
Aan het einde van een genoegelijke avond kwamen Jansie en de net geboren Helen even gedag zeggen. Jansie had niet aangezeten, ze was niet het type van een ambassadeursvrouw.

Opeens vertrok je uit Nederland. Er was een ziekte die aan je beenmerg vrat. Sommigen vroegen zich af of dat werkelijk de reden voor je vertrek was.

Nu is dat zware en gecompliceerde leven even teruggebracht tot vijf letters: fraude. Het schijnt dat je ontslag genomen hebt als ANC-voorlichter. Kun je de weg terugvinden naar de bron? Weet je nog waar je verkeerd afsloeg? Ben je nog voldoende dominee om het betoonde schuldbesef het begin te laten zijn van een bevrijding, een katharsis? Mayibuye, Carl, come back.

Veel sterkte
bart

One thought on “Een brief aan Carl Niehaus”

Reacties zijn gesloten.