over haatzaaien


Vorige week luisterde ik wachtend op de pont een conversatie tussen twee vrouwen af. Iedereen is zijn eigen NSA. Een nogal luidruchtige en heftig met zijn armen zwaaiende zwarte jongen trok ieders aandacht. ‘Die moeten ze op zo’n boot naar Lampedusa zetten’, aldus de ene vrouw tegen de ander.

Waarom hield ik mijn mond, me in stilte concentrerend op de gedachte aan wraak, om haar straks als we de overtocht hadden ingezet op te pakken en over de reling te gooien onder het uitroepen van: ‘Voor Lampedusa moet je rechtdoor en dan linksaf’. Maar een wat minder spectaculaire terechtwijzing kwam niet over mijn lippen.

Gisteravond praatte een montere politieagente ons in Pauw&Witteman bij over de 35.000 bedreigingen die dagelijks door Nederlanders via de sociale media worden verstuurd. Hiervan worden er tussen de honderd en tweehonderd nagetrokken, ook om te voorkomen dat mensen hun woorden kracht bijzetten.
Je kunt jezelf natuurlijk geruststellen met de gedachte dat door de sociale media zichtbaar wordt wat er altijd al was. Maar het nieuwe is nu juist die zichtbaarheid. De mevrouw die Anouk op haar Facebook-pagina voor ‘negerhoer’ uitmaakte, deed dat in combinatie met haar eigen zichtbare portret en naam. Achter de presentatoren van de talkshow werden gisteren nog andere staaltjes van haatzaaierij vertoond waar je het koud van kreeg.

Erwin Olaf pakte de draad van het gesprek aan tafel goed op met een felle uithaal naar voormalige twitteraar Bert Brussen die ook was aangeschoven. Deze had Olaf bij herhaling voor relnicht uitgemaakt. Geen Stijl, waaraan Brussen ooit verbonden was, stuurde ooit vrouwen op Olaf af die poogden hem te kussen. ‘Leuke’ reactie op Olaf’s, naar later bleek niet geheel terechte, verontwaardiging over een snackbar eigenaar die een kussende Olaf en vriend niet voor de deur van zijn zaak wenste. Brussen reageerde gisteravond op Olaf’s woedeaanval zichtbaar (in dit geval was dat juist goed) geirriteerd en met veel gestotter. Juist dat doordrong me er weer eens van hoezeer sociale media door nogal wat mensen worden gebruikt om hun gebrek aan empathisch vermogen en het aangaan van een normaal gesprek te compenseren.

Al even verontrustend als de zichtbaarheid van haatzaaiers is de zwijgzaamheid van hen die maatgevend zouden moeten zijn als het om nette omgangsvormen gaat uit angst voor politiek correct te worden versleten (ook al zo’n begrip dat met veel succes door de schreeuwers in discrediet is gebracht). De Kamervoorzitter zwijgt als het ene parlementslid het andere voor een ’miezerig mannetje’ uitmaakt. De staatssecretaris haalt zijn schouders op als gezaghebbende internationale organen aan wier totstandkoming Nederland ooit bijdroeg over de behandeling van asielzoekers onze regering op de vingers tikt. Diederik Samson schampert over een zorgwekkend rapport van de Raad voor Europa over discriminatie in Nederland.

De vader van Theo van Gogh vertelde zijn zoon ooit te hebben voorgehouden: ‘Je mag het wel zeggen maar je hoeft het niet te zeggen’. Alle reclamezuilen van Nederland zouden volgehangen moeten worden met die zin.