Een voetmassage verwijderd van Nelson Mandela

mandela-young

Over Nelson Mandela zijn inmiddels zeker honderdvijftig boeken verschenen. Het is een fenomenaal gegeven en inmiddels onderwerp van een onderzoek dat de Oxfordse wetenschapper Elleke Boehmer al enige tijd verricht. Voor het samenstellen van deze bundel en het verzorgen van een inleiding heb ik zelf in het afgelopen jaar de geautoriseerde biografie van Anthony Sampson nog eens doorgelezen alsmede het veel versere, in 2006 verschenen A Critical Life van de Zuid-Afrikaanse politicoloog Tom Lodge. Het zijn twee meesterwerken niet in het minst omdat de heren vertellers par excellence zijn. Toch heb ik mijn aantekeningen over beide boeken er niet bij gepakt toen ik me dan eindelijk aan het schrijven van dit verhaal zette. Waarom zou ik de ragfijne analyses over Mandela de verzoener, de troublemaker– de letterlijke betekenis van zijn tweede naam, Rohlihlahla –  en de charmeur opwarmen en deel maken van een als nieuw gepresenteerde beschouwing? Ik hoef mij niet schuldig te maken aan zo’n vorm van intellectueel plagiaat. Ik ken Mandela zelf namelijk erg goed.

Anders dan bij heel veel Nederlanders van zeer uiteenlopende politieke pluimage heb ik Mandela niet al in het voorjaar van 1990 leren kennen. Hij was toen met Winnie op bezoek in Amsterdam maar ik zat wegens verplichtingen in Parijs. Misschien kwam dat wel goed uit want weliswaar had ik al in 1976 meegelopen in een protestdemonstratie tegen het bloedbad dat de Zuid-Afrikaanse politie in Soweto had aangericht en maakte ik vanaf 1983 deel uit van het bestuur van de Anti Apartheids Beweging Nederland, er was op dat balkon van de Amsterdamse Stadsschouwburg voor mij vermoedelijk geen plaats geweest tussen de zich verdringende kamervoorzitters en andere notabelen. Mijn omgang met Mandela begon pas toen ik mij in november 1993 in Johannesburg vestigde. Het was een klein half jaar voor de eerste democratische verkiezingen die van het land een democratie maakten. Weer enkele maanden later lag er – ik was inmiddels als correspondent werkzaam – een uitnodiging van Shell op de deurmat om gratis mee te vliegen naar de Noordkaap. Daar zou Mandela een door het  bedrijf gefinancierde school openen, of de eerste steen leggen, ik weet het niet meer. Vermoedelijk iets er tussenin want ik herinner me wel de fundamenten maar niet de school ergens op een zanderige vlakte nabij Kimberley.  En ik herinner me hoe Mandela na de plichtmatige rondleiding door dit niets vroeg of hij even een plasje kon plegen. Vervolgens liepen wij achter hem aan richting stadion hetgeen langer dan een uur duurde omdat hij met iedereen een praatje maakte. Ook met de tandeloze Afrikaner vrouw die hem toeriep: ‘Ons bid vir jou.’ Waarop hij repliceerde met een welgemeend ‘Baie dankie, mevrou.’ Vervolgens werden wij gelaafd in een Shell tent terwijl de hongerigen op afstand werden gehouden. Mandela kreeg een Shellpetje op en beeindigde zijn korte toespraak met ‘Go well, go Shell.’ Deze man is niets te dol, dacht ik nog, maar belangrijker: ik was nog nooit zo dicht bij hem in de buurt geweest.

Het was, zo bleek achteraf, nog maar een heel bescheiden begin van wat er tussen mij en Mandela in de afgelopen jaren op gang is gekomen. Gek genoeg hing dat minder samen met mijn correspondentenleven, dat me weliswaar veelvuldig op zijn spoor bracht maar altijd op afstand, maar veel meer met een aanzienlijk aantal gemeenschappelijke kennissen, of beter: dienstverleners. Ik noem bijvoorbeeld de tandarts die ik vanaf 1995 frequenteerde. Dat was ook de zijne. En die van Eugene Terre’blanche, de leider van de extremistische blanke Weerstandsbeweging. Toen ik aan mijn tandarts vroeg of die laatste wel een verstandskies had, begreep ik dat ik mij op glad ijs had begeven. Hij glimlachte wel maar gaf, trouw aan zijn beroepsgeheim, geen antwoord. Het is vermoedelijk een uitdrukking van deformatie dat je als correspondent hoopt om zelfs uit het tandartsenbezoek nog enige nuttige informatie te halen. Maar dat kon ik dus wel vergeten al moet ik bekennen dat een licht gevoel van

opwinding zich van mij meester maakte toen ik me realiseerde dat de boor van mijn tandarts zich vermoedelijk ook regelmatig door het gebit van Mandela drilde.

Vervolgens abonneerde ik mij wegens aanhoudende moeheid op een reflexologe. Dat bleek een schot in de roos, niet alleen vanwege de vermoeidheid die zij energiek wegmasseerde, maar ook omdat ze me al bij het eerste consult toevertrouwde vijf jaar de voeten van Nelson Mandela te hebben behandeld. Nu was ik 1 voetmassage verwijderd van Hem verwijderd! Het kwam terloops ter sprake, ik bedoel, ze stond zich er niet op voor. Integendeel, op mijn vraag waarom ze er inmiddels mee gestopt was, vertelde ze dat ze het tegenover haar andere klanten niet langer kon verantwoorden om afspraken steeds te moeten verzetten. ‘Dan werd er weer gebeld omdat hij nog in Pretoria zat en moest er weer geschoven worden. Ik raakte er klanten door kwijt.’

Bij mijn tweede consult vroeg ik haar of ze zich realiseerde dat ze vijf jaar lang, vijf keer drie kwartier per week naar de oude man had kunnen luisteren. Mijn collega’s deden in die tijd een moord voor een interview van een kwartier. Het is mogelijk een verklaring voor de hoge misdaadcijfers in Johannesburg. Ze glimlachte en zei dat ze het nog nooit zo bekeken had.

‘Wat zei ie dan zoal?’, vroeg ik.

‘Dat hij zo populair was bij de vrouwen omdat hij zo goed danste’, antwoordde ze.

En een andere keer, op dezelfde vraag:

‘Er was eens een Saoedische prins op bezoek en Mandela raadde me aan om met hem te trouwen en een paar jaar bij hem in te trekken. Dan zou ik moeten scheiden en de miljoenen alimentatie aan hem geven. Voor zijn Kinderfonds.’

Die anekdote bevestigde, zoals jaren eerder zijn toespraak bij Shell, Mandela’s passie voor fondsenwerving. Ik vertelde mijn reflexologe dat ik een fantasie heb dat hij ’s avonds met zijn secretaresse Zelda le Grange de donaties van de dag doorneemt. Zij zit met een rekenmachientje op de rand van zijn bed en meldt hem vlak voor het slapen gaan het resultaat. ‘Zestien miljoen Rand, Sir!’

‘Nee, zo gaat dat niet’, reageerde mijn masseuse geheel serieus. ‘Zelda komt voor het slapen gaan nog wel naar zijn kamer maar dan nemen ze de agenda van de volgende dag door.’

Hoe weet je dat?

‘Ze schreeuwt omdat hij zijn gehoorapparaat al heeft afgelegd. Dat heb ik verschillende keren meegemaakt als ik beneden in de hal nog wat stond na te kletsen.’

Het is zo’n moment waarop je denkt: ik weet bijna alles van ‘m.

En zo is er nog mijn huisarts, die ook de huisarts van mijn huisgenote van enkele jaren geleden was. Zij had na een consult eens een zwarte Mercedes voor de praktijk zien stoppen waar Winnie uitkwam – noem het een Bijna Nelson ervaring. Zelf werkte de huisgenote geruime tijd een dag per week voor het Nelson Mandela Centre for Memory waar ze bij het kopieer apparaat regelmatig Zelda tegenkwam en waar ze ook vaak documenten zag liggen ‘die ‘iets met Mandela te maken hadden’ en die zij stelselmatig niet even stiekem voor me kopieerde omdat dat ‘niet ethisch’ was. Een van de weinige dingen die ik in al die tijd uit haar heb kunnen krijgen is een beschrijving van de paniek die uitbrak toen de oude baas belde om te zeggen dat hij een dag op kantoor kwam werken. De medewerkers hadden het razend druk en niemand had tijd om hem bezig te houden. Hier toont zich een goed geoliede machine – een combinatie van zijn Centre, zijn stichting, zijn kinder- en studiefonds – met honderden medewerkers die dag en nacht in de weer zijn met de verwezenlijking van zijn idealen. Daar moet hij natuurlijk zelf niet doorheen gaan fietsen, dat houdt maar op.

Het roept natuurlijk wel de vraag op in hoeverre het beeld dat opgeroepen wordt in al die medewerkers in voorwoorden, felicitatietelegrammen, e mails en condoleanceregisters die dagelijks uit zijn naam worden geschreven nog te maken heeft met de man zelf.

In de archieven van de antiapartheidsbeweging bevindt zich een grote poster die in 1987 door … werd ontworpen ter gelegenheid van Culture in Another South Africa, een festival en conferentie in Amsterdam waaraan driehonderd Zuid-Afrikaanse kunstenaars deelnamen. In zes afbeeldingen verandert de vormgever met behulp van nijptang en beitel het portret van apartheidspresident P.W. Botha, die Groot Krokodil, in dat van de toen nog gevangen zittende Nelson Mandela. In een natte winternacht lieten wij er de Amsterdamse binnenstad mee volplakken. Wij dachten onze Zuid-Afrikaanse gasten hiermee een groot plezier te doen. Sommigen lachten zich inderdaad een kriek. John Matshikiza, nu een gevierd publicist en toneelschrijver, had tranen in zijn ogen. Barbara Masekela, destijds hoofd van het Culturele Departement van het ANC en nu diplomaat, volstond met ‘Ag, you Dutch!’, terwijl de schrijfster Nadine Gordimer een zuinig ‘interesting’ op ons losliet. Maar anderen, zoals de politieke commissaris Andrew Masondo waarvan we later hoorden dat hij in de militaire kampen van het ANC niet zo’n frisse rol had gespeeld, ontstaken in woede. Welke onverlaat had de toekomstige president van het vrije, democratische Zuid-Afrika met eenvoudig gereedschap uit het tronie van deze misdadiger voort laten komen? Wij zeiden beteuterd dat het een grap was. De kameraden van de AABN konden met een glamour girl als voorzitter, enkele uitgesproken beoefenaren van de herenliefde in haar bestuur en vele trouwe bondgenoten wel een potje breken, maar hier waren we duidelijk te ver gegaan.

Achteraf ben ik meer begrip gaan opbrengen voor de weerzin van veel van onze ANC-gasten. Niet uit braafheid maar omdat zich in de jaren na zijn vrijlating eigenlijk precies hetzelfde manifesteerde als op die poster. Iedereen ging met Mandela aan de gang. Zo werd hij fridge magnet, trekpop, asbak, NiZA-tas en zelfs kaars. Er worden lezingen uit zijn naam georganiseerd, gemeentebesturen ruzieen over de locatie van zijn standbeeld of de vernoeming van een plein en onbetekenende popsterretjes doneren miljoenen om dertig seconden naast hem te mogen staan. Omdat medewerkers adviseren dat dat goed is voor de omzet – van de popsterretjes welteverstaan. Zo wordt Mandela geschapen naar ons anderbeeld – dat van een verlosser, een verzoener en een vereniger. Voor dat beeld is natuurlijk veel bewijsmateriaal aan te voeren. Hij bracht democratie en wist vijanden te verzoenen. Na zijn vrijlating raapte hij de brokstukken weer bij elkaar en soldeerde, niet zonder slag of stoot, de familieresten. Hij liet in zijn geboortestreek een huis bouwen om zo de breuk met de traditie, die hij ooit ontvluchtte, te repareren. Maar ook om de afstand te overbruggen tussen waar je vandaan komt en waar je nu woont en werkt. Een daad van grote symbolische betekenis in een land waar grote gemeenschappen door de geschiedenis letterlijk verscheurd zijn geraakt. Mandela als leider van een traumacratie, die je zijn van pijnlijke herinneringen en littekens aan elkaar hangende natie kunt noemen.

En toch? Heb ik via al mijn medische mediums in de afgelopen jaren de raadsels die evenzeer aan Mandela kleven kunnen ontrafelen.? Wat zou ik hem vragen als zijn Centre for Memory mij uitnodigde om hem een dag bezig te houden? Misschien dit: Hoe kan het bestaan dat een man die zich verzoende met zijn beul Percy Yutar, de joodse aanklager die zijn anti-semitische meesters wilde behagen door in 1964 recht op de doodstraf voor Mandela en de zijnen af te koersen, en met Betsie Verwoerd, de weduwe van de apartheidsarchitect, maar niet met Amnesty International? Deze organisatie weigerde in de jaren tachtig om petities die opriepen tot Mandela’s vrijlating te ondertekenen omdat dat in strijd was met het mandaat van de organisatie. Dat sloot steun aan gevangenen die geweld hadden gebruikt of gepredikt uit. In 2007 schonk Amnesty Mandela een prestigieuze prijs om het goed te maken. Hij had er geen trek in maar nam de onderscheiding beleefd in ontvangst nadat Nadine Gordimer had gezegd: ‘Neem hem nou maar. Je hoeft verder niks te zeggen.’

Nog een kwestie: Waarom liet hij van zijn huis in de Oostkaap een exacte replica van zijn gevangeniswoning in Pollsmoor Prison maken? Geen cel met een houten bank maar best een leuke villa waarin hij in de nadagen van zijn gevangenschap bivakkeerde. Toch bevredigde het antwoord dat hij ooit gaf – ‘Ik voelde me er op mijn gemak’ – niet. Hoe verwerkt is zijn verleden?

En nog een: Kan hij zich het bezoek van journalisten in de loop van de jaren zeventig aan Robbeneiland herinneren? Het was een propagandastuntje van het minderheidsbewind dat de wereld wilde laten zien hoe gezellig het daar toe ging. Oude, bibberende beelden tonen de aankomst van een vliegtuigje. Dan komen de correspondenten, waaronder de Nederlander Erik van Ees, die voor het NOS Journaal werkte, van boord. Even later passeert de camera Nelson Mandela. De trekken om zijn mond verraden boosheid, zijn ogen verscholen achter zwarte brillenglazen. Wat doen jullie hier? Rot op! Laat je niet gebruiken, lijkt hij te willen zeggen.

Maar dat kan natuurlijk niet meer, die vragen. De man is negentig. Mijn mediums zijn inmiddels wel uitgewerkt. De tandarts is overleden, mijn vroegere huisgenote heeft ander emplooi. Alleen de reflexologe zie ik nog maar daar heb ik inmiddels wel alle verhalen van gehoord. De kans dat het Centre for Memory me ooit vraagt om hem een dag bezig te houden moet uiterst klein worden geacht. We moeten het dus doen met de herinneringen, de voetnoten en verhalen die onder veel meer in dit vriendenboek bijeen zijn gebracht.

( Inleiding ‘Voor Nelson Mandela. Verhalen en voetnoten bij zijn negentigste verjaardag’. Een vriendenboek samengesteld door Bart Luirink, juni 2008, verschenen bij Uitgeverij Mets & Schilt, Amsterdam)