Tagarchief: ANJV

demain a nanguila


Gisteravond in het Amsterdamse Tropentheater de documentaire Demain a Nanguila gezien. Het is een vergeten film uit 1960 gemaakt door Joris Ivens. Het is zijn enige Afrikaanse productie, hij zou nooit meer naar het continent terugkeren.
De film is opgenomen in het net onafhankelijke, maar nog snel van regeringsvorm en federatiemodel (wel of niet met Senegal samen?) wisselende Mali.
Ik heb de film ademloos bekeken. De korte inleiding die Afrikacurator Paul Faber voor de vertoning uitsprak had de verwachtingen alleen maar groter gemaakt. ‘De eerste film uit en over Mali’ … ‘de eerste acteurs’ … ‘de eerste president van de onafhankelijkheid’ … ‘het begin van de Malinese filmindustrie’, nog steeds drager van het toonaangevende Bamako filmfestival.
De hoofdrolspeler in de film, Sidibe, later zelf cineast, zou de grondlegger van die filmindustrie worden.
In de film is hij nog een broekie die naar de stad vlucht op zoek naar succes en avontuur. Zijn terugkeer naar het Malinese platteland – in de ban van nieuwe oogsttechnieken, de nieuwe vrijheid, een bezoek van de president – wordt geen succes. Ook bevat het verhaal een subtiele verwijzing naar de ondergeschikte rol die vrouwen spelen – niet in de maatschappij, in de film doen ze eigenlijk al het werk terwijl de mannen vergaderen, maar de controle over hun eigen leven wordt hen nog ontzegd. Dat de altijd zaaiende, oogstende, kokende, wassende en dansende vrouwen nergens tot clichebeeld verworden, heeft zonder twijfel te maken met Ivens’ cinematografische superioriteit te maken.

Sidibe laat het dorp weer achter zich als het meisje waarop hij verliefd is wordt uitgehuwelijkt.
Het duurde in 1960 een paar maanden voordat de makers van de nieuwe machthebbers toestemming kregen om de film te vertonen. Maar begin 1961 is de president aanwezig bij de premiere in het openluchttheater Vox, een plek die overigens ook in de film te zien is.

Na afloop dwaalden mijn gedachten af naar de jaren zeventig. Ik was actief in het ANJV, een communistische jongerenorganisatie. In het kantoor vonden we in een kast, die jarenlang op slot zat, tientallen oude speelfilms en documentaires. De slag om de wolvenkloof, De vermiste piloot, Dimitrov spreekt!, De slag om het Hua gebergte. Communistische propagandafilms die in de jaren vijftig aan de achterban waren getoond. Onderop lag een film van Ivens: Indonesia Calling. Deze aanklacht tegen het Nederlands kolonialisme was lange tijd verboden – ik meen me te herinneren dat dat zelfs op het moment van onze vonds nog het geval was – en kostte Ivens vele jaren zijn staatsburgerschap.
Maar ook in het ANJV was de film taboe verklaard. Omdat Ivens met de Maoisten heulde.
De film is na onze herontdekking verschillende malen vertoond voor de ANJV-leden. In de CPN was de destalinisatie ingetreden, het dooide dus het mocht.


KGB

Dat stukje over de Rosenbergs echoot nog na in mijn hoofd. Tot ik me opeens realiseer dat ik zelf mogelijk ook contact heb gehad met de KGB. Nu dertig jaar geleden bezocht ik als waarnemer een congres van de communistische jeugd in Moskou, de Komsomol. Al meteen bij aankomst maakte ik kennis met mijn vaste begeleider, Vladimir. Hij doceerde Nederlands aan de universiteit en had elf studenten. Hij vertelde me dat er dagelijks 10 exemplaren van De Waarheid onder de kiosken in Moskou werden verspreid. En dus was er elke dag 1 student de klos.

Midden op het Rode Plein, waar niemand het kon horen, vertelde Vladimir dat hij thuis enkele grammofoonplaten van Albert Mol had. Dat was me wat!

In later jaren drong tot me door dat dit soort begeleiders tot de vaste medewerkerskring van de KGB behoorde. Ik heb hem niets wijzer gemaakt want mijn opdracht was immers om waar te nemen en om los van de gebruikelijke beleefdheidsfrases geen politieke zaken te bespreken. Het Algemeen Nederlands jeugd Verbond (ANJV), dat ik vertegenwoordigde, had jarenlang geen contact onderhouden met de kameraden in het oosten. Ik werd als het ware als een soort verkenner werop uitgestuurd.

Het leidde nergens toe. Maar ergens in een dossier staat wellicht vermeld dat ik toen ‘contact met de KGB’ heb gehad.